MariaGoos-foto-Mieke-Meesen
Maria Goos ontmoet Marjon van Royen
Interview gepubliceerd in de NOUVEAU, 2017. (download pdf)


‘ik ben ondanks alles gelukkig in Rio’

In de serie ontmoetingen van Maria Goos voor nouveau sprak de schrijfster met buitenlandcorrespondent Marjon van Royen. Ze is, ondanks de misdaad en hectiek, intens gelukkig in Rio de Janeiro. Zoals ze ook happy is met haar latrelatie die al 25 jaar oceanen overbrugt.


tekst: Maria Goos
fotografie: Stef Nagel


Ze mailt me vanuit Rio de Janeiro: ‘Ze willen ook foto’s bij het interview en dan brengen ze kleding mee, maar ik kan dat niet! Ik wil niet in kleren die niet van mezelf zijn.’ Ik kan haar geruststellen: ze hoeft niets aan wat ze niet aan wíl en ze mag ook in haar eigen kleren op de foto. ‘Pfff, opgelucht,’ mailt ze. Deze vrouw, die al meer dan twintig jaar in haar eentje in Zuid-Amerika woont, die bestolen en bedreigd is, die tijdens een overval urenlang met een sok in haar mond en tape over haar gezicht op de grond van haar huis naar adem heeft liggen snakken, die zegt: ‘Help, kleren die niet van mezelf zijn… Dat kan ik niet.’
Een paar dagen later is ze in Amsterdam waar ze twee keer per jaar bij haar vriend Tom logeert. Ze zien elkaar een paar weken per jaar hier, of daar in Rio de Janeiro. “En skypen jullie dan elke dag?” vraag ik. Haar karbonkels van ogen worden nog groter dan ze al zijn. “Elke dag? Néééé, ben je raar! Nee joh.” We hebben afgesproken in een hotel waar, naar later blijkt, geen broodjes kroket te verkrijgen zijn. Dan neemt ze maar bitterballen op een sneetje, ook lekker. Op haar hand heeft ze een nummer geschreven. “Mijn nieuwe pincode, want ik ben weer bestolen.” Ze maakt een relativerend gebaar met haar hand. “Joh…, het was op straat. Dan geef je gewoon je tas af.”
Marjon van Royen. 59 jaar oud. Rond haar twintigste gaat ze in Rome in een pizzeria werken, krijgt ze een relatie met een man die vijftien jaar duurt, en schrijft ze haar eerste stukjes. Ze wordt correspondent voor De Groene en later ook voor de radio en in 1993 verschijnt haar eerste boek over haar ervaringen als correspondent: Italië op maandag. Na Italië verslaat ze voor de NRC de oorlog in Bosnië en in 1996 verhuist ze voor die krant naar Mexico. Haar boek De nacht van de schreeuw gaat over die drie jaar in Mexico. Het is niet haar taak, maar wel haar inborst, om op te komen voor de verschoppeling, de rechteloze, de onderdrukte. In Mexico heeft ze dan ook onderdak gegeven aan vier vrouwen uit de sloppenwijk; weerbare vrouwen, niet kapot te krijgen, die het moeten zien te rooien tegenover de agressie van man, familie en overheid. Met sommigen van die vrouwen is ze nog steeds, na bijna twintig jaar, bevriend, hoewel ze nu al weer bijna zeventien jaar in Brazilië woont.
“Beter,” zegt ze als ik vraag hoe het met haar gaat. “Het gaat nu veel beter.” En dan refereert ze niet aan een ziekte, maar aan haar ontslag als Zuid-Amerika-correspondente bij de NOS. Die klap begint ze nu, na drie jaar, te boven te komen. “Het fundament onder mijn leven was weggeslagen met dat telefoontje. De journalistiek was alles voor mij. Mijn passie, mijn leven, mijn hele reden van bestaan. Ik was zo’n kermisaapje geworden dat alles kan. Op een fluitje blazen, op een trommeltje slaan, op toetsjes drukken. Dat moest ook wel, want je gaat met een rugzakje om de jungle in en ik deed niet alleen meer radio voor de NOS maar ook televisie en internet. Dus dat sleep je dan allemaal mee in dat rugzakje. Ik zat in Haïti tussen de stapels met lijken met een kotsende cameraman die niet tegen de geur kon, toen ik het telefoontje kreeg. Er zat een meneer bij de NOS die een roulatiesysteem had verzonnen. Voortaan mochten correspondenten nog maar maximaal vier jaar op dezelfde plek zitten om ‘een frisse blik’ te behouden. Mijn hele bestaan klapte in elkaar. Alles. Bij die reorganisatie zijn er zeven vrouwelijke correspondenten ontslagen en allemaal vervangen voor mannen. Ik kon wel naar de Antillen, maar het is stukloon, dan moest ik van zeshonderd euro per maand gaan leven op mijn 56ste.”

Is het toeval dat het allemaal vrouwen zijn die werden ontslagen? “De journalistiek is een beroep waar meer vrouwen in komen en dan verliest het beroep aan status. En die mannen proberen in een laatste stuiptrekking die oude status te behouden. Ik denk dat ik ze met dit type uitlatingen voor de kop heb gestoten. Ik merk dat ik er bij de publieke omroep vrijwel niet meer in kom.”

Maar wat hadden ze dan tegen de vrouwelijke correspondenten? “Mijn baas zei steeds dat hij bang was dat ik op televisie weleens hysterisch zou kunnen worden. ‘Ben ik dat ooit geweest?’ vroeg ik dan. Hij zei: ’Nee, maar je zou het kunnen worden.’ Dat is toch een rare opmerking? Zou hij zoiets tegen een man zeggen? Ik denk dat ze onze invalshoek te emotioneel vonden, te betrokken. Maar ik vind dat je als correspondent niet in een compound moet gaan wonen met een muur eromheen. Ik vind ook niet dat je met Nederlandse ondernemers moet gaan praten en op zoek moet gaan naar ‘de link met Nederland’. Vertel over het land zelf! Over hoe de mensen leven! Ik woon op een berg in Rio de Janeiro. Om mij heen allemaal sloppenwijken. Er worden elke dag mensen vermoord, ontvoerd en gemarteld in die stad. Maar ik ben er gelukkig.”


In Mexico was je niet gelukkig…
“Het verschil tussen Mexico en Brazilië is het verschil tussen een Indiaanse cultuur en een Afrikaanse post-slavernijcultuur. Mexico is een land, geboren uit verkrachting van de Indiaanse bevolking door de Spanjaarden. De vrouwen in Brazilië zijn veel sterker, die komen uit een vrijgemaakte-slavencultuur; in die culturen is de solidariteit in de onderklasse veel groter. Daardoor zijn die vrouwen geen verschoppelingen. Als meneer niet voldoet, dan trappen ze hem met een grote boog de deur uit. De introverte Indiaanse cultuur en het geloof in duende lotsbestemming maken vooral de vrouwen in Mexico het slachtoffer van alles wat er gebeurt. Alles wat een vrouw daar overkomt, is haar eigen schuld. Verkrachting, mishandeling, uitsluiting: alles is de schuld van de vrouw.”

Je woont nu bijna zeventien jaar in Rio de Janeiro. Waardoor ben je daar wel gelukkig? “Brazilië is een afschuwelijk, ongelijk, corrupt en gewelddadig land, maar ik steek mijn neus buiten de deur en ik ben gelukkig. Een dag voordat ik naar Nederland vloog, lag op mijn straat weer het lichaam van een totaal onschuldig iemand die door de politie was doodgeschoten. Ik kende hem. De volgende dag wordt op dezelfde plek alweer gein gemaakt met de buschauffeur die te hard rijdt… Dat er naar hem wordt geroepen: ‘Hé, je denkt toch niet dat je Ayrton Senna bent?’ (De Braziliaanse autocoureur, MG.) En de buschauffeur die dan lacht en zegt: ‘Hou je vast voor de eindstreep.’ De dood is zo alom aanwezig in Brazilië, dat het het leven enorm intensiveert. Heb je dat filmpje op mijn site gezien van die overstroming? Mensen gingen op een surfplank achter een auto hangend door de straten. In de restaurants stond het water tien centimeter hoog, maar de mensen bleven komen en het personeel stond in de keuken te koken met hun voeten in plastic opbergdozen. En iedereen vond het kostelijk. Die weerbaarheid, dat vrolijke improvisatietalent, daar word ik heel gelukkig van. De gezelligheid, de vrolijkheid en de taaiheid om te overleven tot elke prijs… Ik kan daar niet meer buiten.”


Dus het gaat goed met je?“Nu weer wel. Ik ben ook opgehouden met roken. Ik rookte drie pakjes per dag. Ik zit nu aan de elektrische sigaret. Na dat ontslag heb ik jarenlang niet kunnen proeven, ruiken of voelen. Ik was in een diepe, betonnen depressie beland. Er was een oorlog in me aan de hand tussen mezelf en mezelf vol met haat. Doordat ik niet meer werkte, droeg ik niet meer bij aan een poging om te maatschappij te verbeteren. Ik kon niets nuttigs meer doen. Ik ben nu eenmaal een wandelende schuldfabriek. Toen kreeg ik skypecontact met een therapeut, die zei: ‘Vergeef het jezelf, want die zelfhaat maakt de depressie alleen maar erger.’ Dat hielp enorm. Ik heb ondertussen een airbnb bij mijn huis gemaakt, een mens moet wat! Wel belachelijk dat ik al dat talent daarin moet stoppen. Maar ik werk nu weer voor De Groene. Dat helpt ook! Uitsluiting is iets verschrikkelijks. En dat ontslag was uitsluiting van mijn vak. Ik ben daar blijkbaar heel gevoelig voor.”

Enig idee waar dat vandaan komt? “Vroeger. En meer zeg ik er niet over. Ik heb geen veilige jeugd gekend. Mijn moeder leeft nog, snap je? Ik heb het op mijn 35ste nog een keer meegemaakt, uitsluiting. Ik was toen al vijftien jaar met die Italiaanse man en ik zat in Bosnië. Als ik naar Italië kwam, vond hij het maar niks dat ik er altijd zo modderig uitzag en een scherfvest droeg. Hij was 50 en ik 35. Op een gegeven moment zegt hij, midden op zee, want hij had een reisje georganiseerd: ’Ik wil trouwen.’ Ik zei: ‘Voor mij hoeft het niet, maar als jij graag wilt.’ Hij zei: ‘Nee, je begrijpt me niet. Ik wil trouwen, maar niet met jou.’ Hij is toen getrouwd met een negentienjarige kippenplukster uit Zuid-Italië. Hij is een totaal ander leven gaan leiden en ik heb hem nooit meer gezien. Mannen snappen niet dat je iets af moet maken. Mannen kunnen zich met succes een heel andere identiteit aanmeten. En wraak: wraak is goed, Maria. Ik heb hem zo vaak in mijn fantasie van de trap gegooid en zijn ogen uitgestoken. Dat heeft mij enorm geholpen. Weet je wat ook belangrijk is? Dat je je herinneringen niet laat afpakken. Als ik een bepaalde geur ruik, dan denk ik aan de herfst in Rome en aan de zondagse etentjes die we gehad hebben. Als ik zing met de sloppenwijkbewoners in Rio, dan komt ook het zingen aan tafel in Italië terug. Die herinneringen, die zijn van mij. Dat zijn mijn momenten van geluk. Voor mij zijn er twee hoofdthema’s in mijn leven: uitsluiting en solidariteit. Daar gaat het over in het leven voor mij.”

Solidariteit. Dat woord wordt bijna nooit meer gebruikt.‘Ik weet het! Mensen zeggen vaak tegen mij: ‘Waarom zou ik solidair zijn met iemand die dat niet met mij is?’ En dan zeg ik: ‘Voor jezelf.’ Kijk, onder mij wonen twee homo’s. Elke dag wordt er een homo in Rio gemarteld en of doodgeschoten. Ik zeg tegen die jongens: ‘Dan kom je toch lekker bij mij wonen?’ En ik heb me toch een lol met die jongens en hun vrienden! Zonder solidariteit red je het daar niet.”

Zou je nog kunnen wennen aan een leven zonder extreme situaties? “Nee. Ik heb een jeugd achter de rug waardoor ik absoluut niet bang ben voor onveiligheid. Ik voel me er op een bepaalde manier bij thuis. Ik herken het. En ik denk dat mensen dat voelen. Mensen praten sneller tegen mij dan tegen een ander. Mensen herkennen iets in mij, denk ik. En dat heb ik in mijn vak altijd goed kunnen gebruiken. En mijn opvatting over journalistiek helpt daar ook bij. Je moet de stem zijn van de regio waarover je over schrijft. Anders kun je correspondenten net zo goed vervangen door ANP-berichten.”

Ben je weleens te ver gegaan? Dat je je te veel ging identificeren met het land waar je woonde?“In Italië leek dat te gaan gebeuren. Toen ben ik er weggegaan.”

Is het eenzaam, zo lang in je eentje in landen die niet je thuisland zijn? “Ik heb daar de positie van een buitenstaander. De eenzaamheid van die positie is mij vertrouwd. Vanuit die positie kan ik heel erg dicht bij mensen komen. En die interocenanische latrelatie die ik al 25 jaar met Tom heb, dat is precies goed. Hij reist ook over de hele wereld, we begrijpen elkaars leven. Als we bij elkaar zijn, dan kunnen we ook erg genieten van getut op de bank, maar we zijn twee mensen met een grote passie voor ons beroep en dat respecteren we. Volgend jaar gaan we trouwen. We worden ouder en als er iets met mij of hem zou gebeuren in Brazilië, als een van ons ziek wordt, dan is het handiger om getrouwd te zijn. We hadden elkaar ontmoet op een feestje van de NRC. Die nacht belde hij me om drie uur op. ‘Met Tom, mag ik langskomen?’ Nu liepen er twee Tommen rond op dat feestje, dus toen hij voor de deur stond wist ik niet welke het zou zijn. Maar het was de goeie! Ik zei: ‘Je mag blijven, maar we gaan niet vrijen.’ Hij trok al zijn kleren uit, hij was drijfnat en spiernaakt. Dat was allemaal al meteen heel vanzelfsprekend. Hij kwam bij me in bed liggen, sloeg tevreden zijn armen om me heen en viel in slaap. De volgende dag ontbijtje met een krant erbij. We wisten heel lang niets van elkaar. Vroegen elkaar ook niets. Dat was bevrijdend. Na die eerste nacht zei ik: ‘Ik wil niet dat je weggaat.’ ’Nee,’ zei hij, ‘dat wil ik ook niet.’ En nu gaan we dus na 25 jaar trouwen. Kijk, of er verder, als ik er niet bij ben, nooit iets gebeurt, dat weet ik niet en daar vraag ik ook niet naar. Dat doet hij ook niet.”

Was je een wild kind? “Nee, helemaal niet. Ik was een bang kind. Op de middelbare school merkte ik dat een buitenbeentje was. Ik werd nooit uitgenodigd op feestjes. Ik was een tomboy, liever met de jongens dan met de meisjes. En eigenlijk heb ik nog steeds die positie van de buitenstaander. Ik ben niet meer Nederlands, maar ook niet Braziliaans.”

In Mexico had je op een gegeven moment een moeder met twee kinderen en een kleinkind bij je in huis. Jij was de papa daar. “Ja, maar dat wil ik niet meer. Ik ben dan wel een wandelende schuldfabriek, maar die verantwoordelijkheid voor zo’n nepgezin dat we waren, dat was naast mijn werk te veel. Nu ik weer schrijf, heb ik het gevoel dat ik iets, al is het maar een heel klein beetje, kan bijdragen aan een besef over hoe het buiten de grenzen van dit land is.”

Kom je ooit nog terug? “Ik denk dat dat niet meer gaat. Hier komt het op de voorpagina als er een melkauto tegen een trein is gebotst en daar gaat het dan de hele dag over op de radio. Mijn ongelukkigste jaren waren na Italië, toen ik even in Den Haag op de redactie van de NRC werkte. Ik kan dat niet. Maar kom jij maar naar Rio in een van mijn airbnb-huisjes.”

Ik kijk hoe ze zit te smullen van de geprakte bitterballen op haar toastje. Naar Marjon van Royen in Rio de Janeiro. Ik denk, ik weet haast wel zeker, dat ik dat ga doen. Saai gaat het niet worden. Daar zijn we allebei allergisch voor. U hoort van ons.





MARJON IN HET KORT
Marjon van Royen (59)
werkte tien jaar in Rome als correspondent toen zij in 1991 bij NRC ging werken en de Balkanoorlog versloeg. In 1996 werd ze correspondent in Latijns-Amerika, eerst vanuit Mexico-Stad, toen vanuit Rio de Janeiro. Ze schreef twee boeken: Italië op maandag en De nacht van de schreeuw.