MariaGoos-foto-Mieke-Meesen
1-1-8 (nr 7)
Ik loop door de Kinkerstraat. De telefoon gaat. Het is zover. Willem, vriend en ook de regisseur van mijn werk, is dood. Ik bel een paar mensen van wie ik denk dat ze het nog niet weten en die het wel moeten weten.

Dan rij ik naar de set van de televisieserie Evelien. Daar filmt mijn man Peter. De jongen die buiten staat met de walkietalkie weet het, of begrijpt het, of ziet het. Ik hoor hem de opnameleider oproepen. "De vrouw van Peter is hier, kan ze doorlopen?" Peter komt in een ochtendjas uit de scène die ze aan het draaien waren. Hij houdt me vast. Heel de filmploeg blijft minutenlang bewegingloos en geluidloos met de ruggen naar ons toestaan. "Zou Willem prachtig vinden", denk ik.

Daarna naar huis, waar dochter Roos is met koffie. Iemand van de catering van de film roept mij terug. "We laten je zo niet weggaan", zegt ze. Ik krijg een kopje koffie. Dan toch maar richting huis. Wat anders. Onderweg denk ik: "Monic weet het nog niet." Monic Hendrickx heeft Willem meegemaakt tijdens het maken van de film Leef!

Ik heb haar nummer niet. Ik bel 118. Via dat nummer kun je doorverbonden worden. Ik loop op dat moment over de PLANTAGELAAN. De mevrouw van 118 zegt iets wat ik niet versta, maar ik vermoed dat ze vraagt met wie ik doorverbonden wil worden. Dus ik geef de naam en de straat op van Monic. Huisnummer weet ik niet.

De tram giert de bocht om de Roeterstraat in. Ze vraagt iets. Maar wat? Huisnummer? "Wat zegt u?" Ze zegt: "Plaats". Nu kun je op veel manieren plaats zeggen. Je kunt het zo zeggen dat de toehoorder denkt: ‘die mevrouw wil mij echt helpen.' Je kunt het ook zo zeggen dat je denkt dat je de Gestapo aan de lijn hebt. Wat ik hoor in hoe zij plaats zegt, is: "Wat haat ik die achterlijke idioten die mij steeds bellen omdat ze zelf geen telefoonnummer kunnen vinden". En dat is op dat moment te veel. Dus ik zeg: "De plaats is Amsterdam, chagrijn". Ineens is ze wakker aan de andere kant. Ze klinkt heel helder. "Wat zegt u?" Ik zeg: "Ik zei chagrijn tegen u, zo klinkt u namelijk". Even is het stil. Dan: "Wilt u doorverbonden worden of niet!" Ik zie haar voor me. In een flat met linoleum op de vloer. Drie kinderen, snel achter elkaar gekregen in de hoop dat het kindergeschreeuw, de kreet van haar man zou overstemmen: "Ik wil al jaren bij je weg!" Niet gelukt. Man toch weg. Zij kan de kinderen niet aan. Schreeuwt dingen tegen ze als: "Wil je nou nog eten of niet! Wil je een antwoord of niet! Wil je dat het hier gezellig wordt of niet!" Nu zegt ze tegen mij: "Wilt u doorverbonden worden of niet". Ik ontplof. Ik schreeuw door de telefoon: "Is UW vriend net overleden of de mijne!" "Dat kan ik toch niet weten?", schreeuwt ze terug. Ik schreeuw: "En daarom moet u aardig klinken. Omdat u bij 118 werkt en niet kunt weten hoe de mensen zich voelen die u bellen! Zoals u klinkt heeft niets menselijks! Niets!" Wanhopig roept ze: "Dat weet ik toch niet?" Ik schreeuw: "Nee, daarom zeg ik het u. Daarom zeg ik het u!" Ze schreeuwt terug: "Ik verbreek nu de verbinding". Fijn, denk ik nog. Weg met dat kutwijf en geef me Monic. Maar het blijft stil. Dan realiseer ik me dat ze me niet gaat doorverbinden. Ik ga Monic niet bereiken. Doodse stilte aan de andere kant.

Huilend ga ik even op een trapje zitten. Het trapje is het trapje naar de voordeur van Monic. Ik bel aan. Ze is niet thuis. "Ga toch naar huis, Maria", zeg ik tegen mezelf in een poging om dat wrak dat daar bij Monic Hendrickx voor de deur zit te kalmeren. Mijn hart klopt in m'n wangen. Mijn armen trillen van woede. Verbijsterd ben ik, over mijn eigen geschreeuw. Dit heb ik in jaren niet gedaan.

Ik hoor Willem, een half uur dood, lachen. "Heel goed Marie! Heel goed!" We werden om heel verschillende dingen boos en nooit tegelijk. Wij samen woedend, dat was te veel, ook voor ons, dat was niet te doen. Dus suste de één altijd de ander. Maar waar we echt allebei niet tegen konden, dat waren mensen die hun werk niet goed doen.

"Elimineren!", zegt ie lachend. En ik denk: "Dat was ik niet alleen, die zo schreeuwde, dat waren we samen".