MariaGoos-foto-Mieke-Meesen
GELOOF (nr 21)
Lang sloot ik de dag af met een gebed. Lang werd ik voor Pasen en Kerstmis van binnen gewassen. Zo voelde het, als ik gebiecht had: van binnen gewassen. Een schoongeschrobde ziel. En als ik na de biecht dan ook nog es onder de douche was geweest en met een schone pyjama aan met natte haartjes, tussen de koude schone lakens lag, dan was het leven als een onbeschreven opnieuw geverfd schoolbord na de grote vakantie. Schoner zou ik nooit meer worden.

Rond mijn twaalfde zocht de kerk aansluiting met de twijfelende gelovigen. Dat had op mij een averechts effect. Zolang de preken onbegrijpelijk waren geweest, hadden ze me de ruimte gelaten om er zelf de meest devote gedachten bij te krijgen die datzelfde heerlijke gevoel van ‘van binnen gewassen' teweegbrachten, maar toen de geestelijke ging spreken over ‘de pil' en ‘losgeslagen jongeren' werkte het niet meer. Ik dacht alleen maar: ‘Waar bemoeit die man zich mee, hij weet niet waar ie het over heeft.' In datzelfde jaar bezocht ik voor het laatst een katholieke mis.

Op mijn veertiende heb ik de beatmis nog een paar keer geprobeerd. Daar zag ik een leuke jongen achter een drumstel zitten en ik zag een meisje dat, achter een gordijn van haar, een zelfgemaakt gedicht voorlas. Het was actueel, het was onderhoudend, maar schoon werd ik er niet van, eerder opgewonden door die drummende jongen.

Jezus was jaren mijn vriend geweest, mijn betere ik, waar ik via gebed en persoonlijke gesprekken een intense band mee had.
Rond mijn veertiende wist ik dat er geen hemel was boven de wolken. Jezus was niet ergens concreet aanwezig. En Maria trouwens ook niet en de engelen zou ik nooit echt zien zweven, met vederen vleugels op hun rug. Het was een klap, maar wat veel goedmaakte was het idee dat de hel er dan dus ook niet was, ergens in de aarde.

Mijn moeder durfde nooit hardop te zeggen dat zij er ook zo over dacht. Als ik haar vroeg of ze nog in God geloofde trok ze haar schouders op tot tegen haar oren. Alsof ze haar gezicht wilde beschermen tegen een harde klap. Wat zij zich wel durfde permitteren was de volgende reactie, die ze fluisterend uitsprak: "Er moet toch wel IETS zijn?" Honderden keren heb ik haar zo tegenover me zien zitten, weggedoken tussen haar schouders telkens mijn vraag beantwoordend met de wedervraag: "Er moet toch wel IETS zijn?" Bidden deden we niet meer, maar het stellen van mijn vraag die door haar wedervraag beantwoord werd, waarna we lang zwegen, werd een ritueel. Ons nieuwe bidden.

Ik ben nooit mijn geloof kwijtgeraakt. Ik bedoel dat ik nooit zonder verwondering heb geleefd. Alleen is mijn geloof veranderd van een kerkelijk geloof naar een heel persoonlijke overtuiging: we leven in een wonder. Niemand zal ooit de oneindigheid van de kosmos kunnen verklaren. Niemand zal ooit het ontstaan van leven kunnen verklaren omdat elke verklaring steeds weer dezelfde vraag zal oproepen: "En wat was er daarvoor?" Die onverklaarbaarheid maakte mijn moeder en mij diep gelukkig. Nooit meer zo ‘schoon van binnen' als na de biecht, maar wel zo gelukkig. Het besef van nietigheid maakte ons niet klein, maar groot. We zijn een onderdeel van iets onbevattelijks! Fantastisch!

In de daaropvolgende jaren werd mijn moeder in toenemende mate razend op de zwartrokken die haar al die jaren opgelegd hadden hoe ze moest leven, hoeveel kinderen ze moest krijgen, op welke partij ze moest stemmen en hoe ze zich moest verhouden ten opzichte van haar man. Maar de woede verdween en de verwondering bleef. Ze was in de laatste jaren van haar leven een vrij en gelukkig levend mens.

Nu leven we in een tijd van gelovigen en ongelovigen. Ik las in de krant dat het wel eens zo zou kunnen zijn dat er in de Koran geen sprake is van tweeënzeventig maagden die wachten op de martelaar, maar tweeënzeventig druiven. Kwestie van waar de puntjes boven de Arabische letters worden gezet. En aangezien de puntjes boven de Arabische letters pas veel later gangbaar werden dan het moment waarop de Koran in het Arabisch vastgelegd werd, kan er in de loop der jaren best een puntje een millimeter verschoven zijn. Het vooruitzicht van druiven dan wel maagden schijnt voor veel mensen van cruciaal belang te zijn voor hun daden. Mag ik als gelovige van het onbegrijpelijke zeggen dat het helemaal niet zo erg is als het lijkt om het verhaal los te laten? Ik heb het zelf meegemaakt. Ik ben op het rechte pad gebleven, ik draag de volle verantwoordelijkheid voor mijn daden en ik ben intens gelukkig.