MariaGoos-foto-Mieke-Meesen
LANG LONTJE (nr 17)
Op twaalf augustus had ik mijn eerste aanval. In de weken daarna volgden er nog drie. Een aanval van meniére (want dat is het volgens de KNO arts) verloopt als volgt: het hoofd lijkt vol te lopen, ook de oren. Het gehoor neemt af, de druk op het hoofd, van binnenuit, neemt toe. Er ontstaat een gevoel van misselijkheid dat in korte tijd verhevigt. Tegelijkertijd lijkt de omgeving in een krankzinnig tempo rond te draaien. Onherroepelijk komt het moment van braken, gevolgd door een intense vermoeidheid. In mijn geval blijft er daarna, ook als alle andere verschijnselen voorbij zijn, een piep in het hoofd hoorbaar. Dit is mijn variant op het meniéreverschijnsel. Elke patiënt heeft zijn eigen versie.




Een lezer van deze column bracht mij op het spoor van de mogelijkheid dat er een brughoektumor in mijn hoofd zou kunnen zitten. Meniére heeft dezelfde verschijnselen als een brughoektumor. De KNO arts vond het goed dat er een mri van mijn hoofd gemaakt zou worden. Een mri is een geavanceerde scan. Bij het ziekenhuis was de wachttijd voor een mri drie maanden. Iemand zei: “Je moet assertief zijn." Hij wees mij erop dat ik ook een mri kon laten maken bij een privèkliniek. Daar zou ik binnen een paar dagen terecht kunnen. Dan moest ik het wel zelf betalen. 250 euro. Iemand zei: “Je moet toch je verzekering bellen, een beetje assertief zijn." Na overleg met mijn verzekering vond men mijn geval urgent genoeg en betaalden zij de mri in de privèkliniek. De foto's werden naar het ziekenhuis gestuurd. Na zeven dagen kreeg ik de uitslag. Geen brughoektumor. Na twee weken dagen kreeg ik een andere uitslag. De tweede radioloog was er niet van overtuigd dat er geen brughoektumor te zien was. Er zou een nieuwe mri gemaakt moeten worden en deze keer in het ziekenhuis waar ik met contrastvloeistof zou worden ingespoten. Daardoor zou de foto pas echt goed te beoordelen zijn.




Na drie weken kon de mri in het ziekenhuis gemaakt worden. Ik zou binnen zeven dagen de uitslag krijgen. Toen ik maar niets hoorde zei iemand dat ik “gewoon zelf moest bellen." Vraag me niet waarom, maar ik vind dat moeilijk. Op de tiende dag heb ik het gedaan. De uitslag bleek door de afdeling radiologie allang doorgestuurd naar de afdeling KNO. Bij KNO zei men dat ik over twee weken kon bellen voor de uitslag. Toen ben ik, uit mezelf, assertief geworden. Ik heb geroepen dat dat echt niet kon! Dat ik niet langer in onzekerheid wilde blijven en dat de tweede mri op verzoek van het ziekenhuis… en zij een fout… en ik wachten… etc. Best pittig was ik, aan de hard gillende piep in mijn hoofd af te meten. Het resultaat was dat mij gezegd werd dat ik al na vijf dagen kon bellen voor de uitslag.




Nu is een brughoektumor doorgaans goedaardig. Bijna altijd. Nu was ik al twee maanden niet meer neergevallen. Nu was de duizeligheid nagenoeg verdwenen. Nu had het gehoorverlies van 35 procent zich bijna geheel hersteld. Alleen de piep was gebleven, maar de piep is al weken heel dragelijk. Alleen bij paniek. Uitparkeren in de P.C. Hooftstraat terwijl er een taxichauffeur kijkt hoe ik het doe. PIEP ! In een kleedkamer wel ìn een jurk gekomen, maar er niet meer uit kunnen zonder het geluid van scheurend textiel. PIEP ! De omroep die in haar verweer tegen de bezuiniging zichzelf als de hoeder van kwaliteitsprogramma's afficheert. PIEP !




Enfin, de truc is om zo weinig mogelijk piepmomenten te hebben. Geen spanning, geen stress, geen drukte. Feestjes met muziek gaan niet meer. Schouders laag tijdens het schrijven, niet met geklemde kaken zitten en fysiotherapieën en acupunctuur. En maar wachten op een uitslag. Ik hield het niet meer. Vanzelf assertief gedaan. Beleefd e-mailtje gestuurd naar behandelend arts. Of, alstublieft, als de uitslag goed was en als ze een momentje had, of ze me dan even zou willen bellen, of e-mailen. Na drie dagen kreeg ik een mailtje waar de arts ironisch genoeg per ongeluk schrijft: “Om u onnodig te laten wachten hierbij de uitslag." Geen brughoektumor. Opgelucht. Blij. Gebeld. Geë-maild. Vrolijkheid.




Ik ben opgevoed met een groot ontzag voor politie, (niet voor de brandweer, die hebben een andere status, dat zijn volkshelden zoals voetballers) onderwijzend personeel, en bovenal voor medici. We mogen geen te kort lontje hebben, zie ik steeds in spotjes op de televisie. Maar als je een lang lontje hebt, dan word je niet beloond. Dan ben je een sufferd. In het nieuwe zorgstelsel, waarin we meer zelf moeten regelen, zullen de korte lontjes eerst aan de beurt komen, en de lange lontjes moeten heel lang wachten. Ergens klopt er iets niet.