MariaGoos-foto-Mieke-Meesen
PIET (nr 13)
Ik dacht dat ik hem zag. Ik zag hem ook, maar hij was het niet. Maar wel dat lange dunne lichaam en die staart en die racefiets. Niet de klompen en ook niet de overall. Maar dan was het hem ook niet geweest. Niemand draagt na dertig jaar nog de kleren van toen. Nu droeg hij een leren jack en cowboylaarzen.

Alleen was ie het niet. Dat kan ook niet want hij is dood. Maar hij leek er zo op dat ik me niet kon voorstellen dat er geen connectie was. Dus ik vroeg waar ie vandaan kwam, waar ie opgegroeid was, hoe hij heette. Hij gaf op alle vragen rustig antwoord. Het leek alsof ie er helemaal aan gewend was om door vreemden midden op straat zomaar ineens ondervraagd te worden over zijn leven.

Maar een connectie leek er niet te zijn. Honderdduizend keer loop je iemand voorbij waarmee je wel een connectie hebt, alleen zie je dat niet want mensen veranderen, en niet alles wordt opgeslagen in je herinnering. De jongen waar ik hem voor aanzag zou nu een man van vijftig zijn en ik zou hem op straat waarschijnlijk zo voorbijlopen. Waarschijnlijk gebeurt het elke dag wel een keer dat ik iemand voorbijloop waarmee ik op de kleuterschool heb gezeten, waarmee ik op zaal lag toen onze amandelen geknipt werden, waarmee ik op een camping stond in Renesse of Texel, waarmee ik Lou Reed heb gezien in Antwerpen.

Je weet het allemaal niet. Je weet zo weinig van dat onzichtbare netwerk waarbinnen wij ons bewegen. Stel dat we allemaal een draadje achter ons zouden slepen, ieder een eigen kleur en dat we dat vanuit vogelperspectief konden zien. Ach… liever niet. Liever maar niet alles weten en het maar een beetje laten. Alleen van de doden weten we het zeker. Die zitten niet meer in een lichaam. Die zitten zo hier en daar in een herinnering.

Hij was te brutaal. Daar kun je aan doodgaan. Hij droeg klompen en een vaalblauwe overall. Hij had heel lang haar en een prachtig smal gezicht. Hij was twee meter lang. Hij kon onbeschaamd zitten flirten vanaf zijn vaste kruk in het jazzcafé waar ik in de keuken werkte. Hij was twintig en leefde van een uitkering. Achter in zijn tuin bouwde hij aan een boot waarmee ie de wereld rond zou varen. Meestal was ie uitzinnig vrolijk en soms ineens hard en gemeen. Dat laatste was ie altijd als ik een vriendje had, want hij en ik hadden niets met elkaar, hij neukte heel de stad en daar wilde ik niet bijhoren. En dat was oké, vond hij. Dat zei ie ook tegen me, met een hand op m'n gezicht: 'T is oké.' Alsof ie me iets toestond. Alsof ie de baas was over mijn leven. Ik ging niet met hem naar bed en dat was 'oké'. Zolang ik maar geen ander vriendje had.

Ik vertrouwde hem niet. Hij was te brutaal. Misschien was ik ook wel een beetje bang voor hem. Hij had iets duivels, zoals ie soms urenlang bewegingloos, weggedoken in zijn schouders, de andere cafégangers zat te bekijken. Als ik dan zijn richting uitkeek, pakte hij zijn lange haar en liet dat als een staart langzaam door zijn handen glijden. Daarna sloeg ie het haar los, tot het op zijn rug uitwaaierde. Een seksueel en intimiderend gebaar. Toen, ik weet echt niet meer waarom toen ineens wel, hebben we een keer samen geslapen. Zonder het te doen. En daardoor werd ik stapelverliefd op hem. Het kostte me grote moeite om niet toe te geven aan zijn dwingende verzoek om zijn rekening van 400 gulden uit de pofbak van het café te laten verdwijnen. Het kostte me ook moeite om niet jaloers te zijn als ie in het café, vlak voor de keuken waar ik de broodjes stond te smeren, zijn tong in de mond van een meisje stak. Een tijdlang spraken wij niet meer met elkaar en toen weer wel. Niet over wat er tussen ons was gebeurd, alleen maar over wat er allemaal nog zou komen in ons leven.

Hij jatte zo hier en daar wat. Hij dealde wat. Hij bouwde aan de boot achter het kraakpand waar hij woonde. Onder hem woonde glazenophaler Frans. Op een nacht zag Frans een vreemde roze plek in zijn plafond verschijnen. Hij liep naar boven en opende de deur. In z'n blauwe overall lag hij bloedend op de grond. Doodgeslagen met een tafelpoot. Hij was twintig. "Iets met drugs", werd er gefluisterd. Toen hoorde ik pas dat hij de zoon was van een kapper uit een klein dorp in de buurt en dat zijn moeder nog maar een paar jaar geleden overleden was aan kanker. Dat wist ik allemaal niet. Wij spraken nooit over vroeger. Alleen maar over de toekomst.